Door Wim Bonis 

Maak kennis met een onbekend cultuurgoed! 

In de geschiedenisboeken op school werd (en wordt volgens mij nog steeds) geen aandacht besteed aan het cultuurgoed van de Matronen en andere met hen verwante Godinnen zoals Nehalennia, die tot in de Romeinse tijd werden vereerd in het rivierengebied van de Rijn, Maas en Schelde. Dit is er de oorzaak van dat veel mensen nog steeds niet weten dat ten tijde van de Romeinse overheersing in onze streken onder de inheemse bevolking voornamelijk Godinnen werden vereerd.

Daarom ben ik heel blij met dit – zeer leesbare en uitermate breed geïnformeerde – boek van Annine van der Meer over de Matronen, dat niet alleen interessant is voor wetenschappers maar ook gericht is op een algemeen lezerspubliek. Het kan er voor zorgen dat de Matronen en die andere Godinnen eindelijk wat meer bekendheid krijgen onder de Nederlandse bevolking. Net als in haar andere boeken zet van der Meer zich er hier voor in om niet alleen het beeld van ons religieuze en spirituele verleden te corrigeren en te completeren, maar ook om ons heden ten dage te laten inspireren door het cultuurgoed van de Matronen.

In dit boek onthult van der Meer een nieuwe visie op de Matronen. Volgens haar doen we hen te kort door ze alleen vanuit de beperkte context van de vaderlandse geschiedenis te begrijpen, omdat ze in de eerste plaats een moederlandse geschiedenis hebben: hun oorsprong reikt terug tot in de Steentijd; vervolgens konden ze voortleven via de Keltische en Germaanse cultuur om uiteindelijk op Romeinse wijze te worden vorm gegeven. En zelfs daarna kon hun cultuur tot in onze tijd nog voortleven via heiligenverering. Het toont de diepte en kracht van dit cultuurgoed.

Interessant bij de Romeinse vormgeving is dat achter de grote variatie in de bijnamen van de Matronen, waarvan achter in het boek een handig overzicht is opgenomen, belangrijke verbindende elementen blijken schuil te gaan. Allereerst zijn volgens enkele onderzoekers de bijnamen heel oud, pre-Indo-Europees, en kunnen zij zelfs teruggaan op een Oud-Europese oorsprong. Daarbij komt dat die bijnamen – naast een verbondenheid met specifieke clans gevormd door diverse grootfamilies – vrijwel altijd een relatie hebben gehad met stromend water en vaak ook met heuvels, grotten, (heilige) bomen en geneeskrachtige planten, kortom met lokale manifestaties van de omringende natuur.

Die verbondenheid komt tevens uit tot uitdrukking in de wijze waarop de Matronen vaak – getuige ook de titel van het boek – in drievoud worden afgebeeld: links de moeder, de jonge vrouw in het midden, en rechts de grootmoeder. Volgens van der Meer heeft de drievoudigheid een zelfde oude oorsprong, en verwijst deze o.a. vanuit de verering van de heilige boom naar de driedeling van de bovenwereld, de aardse wereld en de onderwereld. Deze driedeling staat niet los van het feit dat voor de toenmalige mens de natuur in al haar facetten een bezielde natuur was – een bezieling die niet alleen de mensen en de dieren betrof, maar ook de planten, stenen, bergen en zelfs natuurverschijnselen.

Uit zowel de bijnamen als de drievoudigheid kunnen we aflezen dat de Matronen diep verbonden zijn geweest met hun specifieke leefomgeving. Die verbondenheid wordt verder ondersteund door het feit dat de plekken waar de heiligdommen gebouwd werden in geomantische zin krachtplekken waren. En bovendien – zo heeft van der Meer ontdekt aan de hand van de inscripties – blijken deze plekken ook te hebben gediend als orakelplaatsen!

Belangrijk is dat van der Meer in haar boek een direct verband legt tussen de verering van de Matronen en die van Nehalennia. Volgens haar hebben ook de heiligdommen van Nehalennia gediend als orakelplaatsen. Wel is het zo dat bij de Matronen de vrouwelijke schenkers veel duidelijk aanwezig zijn geweest dan bij Nehalennia. Dit boek vormt overigens één geheel met van der Meer’s boek ‘Nieuw licht op Nehalennia’ dat onlangs ook is verschenen (en tevens door mij is besproken).

In hun verbondenheid met een bezielde leefomgeving hebben de Matronen ook een belangrijke boodschap hebben voor onze tijd. Ze kunnen ons namelijk bewust maken van iets essentieel menselijks dat we ooit in een ver verleden heel goed hebben geweten, maar geleidelijk aan grotendeels helaas zijn kwijtgeraakt.

Kortom, er zijn genoeg redenen om de Matronen en andere Godinnen uit ons rivierengebied voor eens en voor altijd op de (pre)historische kaart te zetten, en zelfs permanent en prominent op te nemen in de Canon van het Westerse cultuurgoed, zodat zij een vast onderdeel kunnen gaan uitmaken van het geschiedenisonderwijs. Het boek van Annine van der Meer geeft daartoe een belangrijke en noodzakelijke aanzet!